Koolhydraten worden door het lichaam afgebroken tot glucosemoleculen.
Die komen in het bloed terecht en worden vervoerd naar alle
lichaamscellen om deze te voorzien van energie. Als er teveel glucose in
het bloed zit spreken we van een verhoogde bloedsuikerspiegel of een
hyperglycemie, als er te weinig glucose in zit heet dat een hypoglycemie.
Beide situaties zijn niet wenselijk.
Insuline en glucagon zorgen er samen voor dat de bloedsuikerspiegel
binnen bepaalde waarden blijft. Deze hormonen worden geproduceerd door
de alvleesklier en zorgen voor de aansturing van de verschillende
regelmechanismen. Insuline regelt de omzetting van glucose in
glycogeen en zorgt ervoor dat glucose door de cellen wordt opgenomen.
Glucagon geeft het signaal voor de terug-omzetting van glycogeen in
glucose.
- Suiker is het meest geraffineerde koolhydraat en bevat erg veel
glucosemoleculen waardoor het de glucosespiegel erg snel doet stijgen.
Als je suiker gebruikt heb je dus snel insuline nodig om de
bloedsuikerspiegel te stabiliseren. Dit gegeven wordt gebruikt om de
glycemische index van een voedingsmiddel te bepalen.
-
- Glycemische Index
- Eerst geeft men een aantal proef-personen een bepaalde hoeveelheid
pure glucose. De snelheid van de stijging in hun bloedsuikerspiegel
wordt gemeten en gelijkgesteld met 100. Daarna wordt dit herhaald,
maar dan telkens met andere voedingsmiddelen. De glucosewaardes van
verschillende voedingsmiddelen zijn uitgezet in de Glycemische Index (GI)
en drukt de stijging van de bloedsuikerspiegel uit in verhouding tot
de stijging die glucose veroorzaakt, uitgezet in de tijd.
Hoe sneller het eten van de genoemde voedingsmiddelen leidt tot het
stijgen van de bloedglucosewaarde, hoe hoger de glycemische index is en
hoe sneller je insuline nodig hebt om de zaak te stabiliseren. In een
voorbeeld:
| |
Glycemische Index |
|
|
- Glucose
- Baguette
- Aardappelen
- Wortelen
- Mais
- Volkoren cracker
- Honing
- Watermeloen
- Roggebrood
|
- 100
- 95
- 95
- 85
- 75
- 75
- 75
- 70
- 55
|
|
|
Een product met een GI lager dan 60 zou geschikt zijn voor een
diabeet (100 = pure glucose). In dit voorbeeld zou dan alleen roggebrood
geschikt zijn.
Nu is niet alleen de snelheid van opname (Glycemische Index) maar
ook de totale hoeveelheid glucose bepalend voor de hoeveelheid
insuline die nodig is om de bloedsuikerspiegel te stabiliseren. We
moeten dus kijken hoeveel koolhydraten per 100 gram er inzitten.
Voorbeeld:
|
|
Glycemische Index |
Kh per 100 gram |
|
- Glucose
- Baguette
- Aardappelen
- Wortelen
- Mais
- Volkoren cracker
- Honing
- Watermeloen
- Roggebrood
|
- 100
- 95
- 95
- 85
- 75
- 7
- 75
- 70
- 55
|
- 100
- 55,4
- 14,8
- 4,8
- 15,8
- 66
- 81
- 8,3
- 45,7
|
|
Iets wat wel snel
opneembaar is maar waar maar weinig glucose in zit belast natuurlijk minder
dan iets wat minder snel opneemt maar waar veel glucose in zit. Uiteindelijk
zal iets wat én snel opneembaar is én waar ook nog veel inzit de zaak het
meest belasten. Deze waarden zijn uitgezet in de Glycemische Lading.
Derde voorbeeld:
| |
Glycemische Index |
Kh per
100 gram |
Glycemische Lading |
- Glucose
- Baguette
- Aardappelen
- Wortelen
- Mais
- Volkoren cracker
- Honing
- Watermeloen
- Roggebrood
|
- 100
- 95
- 95
- 85
- 75
- 75
- 75
- 70
- 55
|
- 100
- 55,4
- 14,8
- 4,8
- 15,8
- 66
- 81
- 8,3
- 45,7
|
- 100
- 52,6
- 14,1
- 4,1
- 11,9
- 49,5
- 60,8
- 6
- 25,1
|
Salmeron en Ludwig (1997, 2002-2003) produceerden een onderzoek
waaruit bleek dat de waarschijnlijkheid om diabetes type 2
(ouderdomsdiabetes) te ontwikkelen niet zozeer van de Glycemische Index
afhangt maar van de Glycemische Lading. Daarbij is, in tegenstelling tot
de Gi, de GL wél een goede indicator voor de hoeveelheid insuline die
nodig is om de verhoogde glucoseconcentratie in het bloed te
normaliseren.
Kijken we naar het nieuwe lijstje dan komen we ook tot een veel
logischer indeling:
| |
Glycemische Lading |
- Glucose
- Honing
- Baguette
- Volkoren cracker
- Roggebrood
- ..........................
- Aardappelen
- Mais
- ..........................
- Watermeloen
- Wortelen
|
- 100
- 60,8
- 52,6
- 49,5
- 25,1
- ............
- 14
- 11,9
- ............
- 6
- 4,1
|
Criteria bij de GL tabel: een gezond persoon die er waarde aan hecht
nog lang zonder problemen als diabetes type 2 verder te leven doet er
goed aan gemiddeld gedurende de dag niet boven een Glycemische Lading
van 15 te komen. Een patiënt met diabetes type 2 moet proberen onder de
10 te blijven. Bijzonder is dat er geen énkel fruit boven de 10 uitkomt.
Een vrij uitgebreide lijst is te vinden op de websites van
Mendosa
en de
universiteit van Sydney.
Handig om te weten: hoe meer insuline je aanmaakt, hoe meer je de
opslag in vetweefsel stimuleert. Suiker is dus dé dikmaker bij uitstek.
Insuline is een 'groei' hormoon en je hebt als je suiker eet veel
insuline nodig om de bloedsuikerspiegel te reguleren. Tot slot nog even
een nadenkertje: in veel light-producten is vet vervangen door suiker.
Drie keer raden wie daar het allerslankst van wordt......... je
bankrekening.
Aanbevelingen
- Ga uitermate voorzichtig om met voedingsmiddelen die lege
koolhydraten leveren
- Gebruik als koolhydraatbronnen de oerbronnen: groente, fruit,
peulvruchten, kiemen
- Als je graanproducten wilt gebruiken, neem dan volkoren producten
- Gebruik veel vezelstoffen uit groente en fruit, ze verminderen de
Gi en dus de GL
- Gebruik voldoende gezonde vetten,
deze verlagen de Gi dus ook de GL